Terug van weggeweest.
Zelfs lientje de poes was blij dat ik er weer was!
En dat wil wat zeggen want lientje is altijd boos op mij
als ik langer dan een dag ben weggeweest.
Zij verwaardigt mij dan met geen blik meer als ik binnenstap.
En als ik mij installeer voor een heerlijk kopje koffie
gaat zij goed zichtbaar, demonstratief met haar rug naar mij toe zitten.
En lieve broodjes bakken is er niet bij. Zij houdt voet bij stuk.
Ik moet het mij maar eens goed realiseren waar ik mee bezig ben.
Niet dat gemakkelijk wegwuiven!
Nee, zij is zeer ontstemd over mijn gedrag, dat moge duidelijk zijn.
Gelukkig draait zij na een nachtje slapen weer bij.
Wat dat betreft: net een mens!
Echter, hoe anders was het nu.
Meteen een luid gespin toen ik haar oppakte.
En zo dicht mogelijk bij mij willen zijn, mij steeds maar aankijkend.
Het klinkt misschien gek maar het voelde nu meer als thuiskomen dan anders!
Vorige week was ik getuige van een mooi schouwspel. Ik zat in de tram,'s avonds.
Bij een halte stapte een man van middelbare leeftijd in.
Hij had een heel vriendelijke uitstraling.
Toen hij ging zitten zag ik dat zijn blik op een al wat oudere dame viel die tegenover hem zat, naast een partner.
De dame in kwestie voelde het en zij keken elkaar even aan.
De man kon zijn ogen de hele verdere rit niet van die dame afhouden.
Hij wilde niet kijken en probeerde het met zijn wil, maar zijn ogen moesten steeds weer naar haar toe.
De oudere vrouw voelde wat er gebeurde en keek vriendelijk voor zich uit.
Het was duidelijk dat zij niet goed raad wist met de situatie.
Ik zag alles gebeuren en vroeg mij verwonderd af wat er nu eigenlijk plaats vond tussen die twee mensen.
Zij, een toch veel oudere dame dan hij, een man van rond de vijftig.
De rit duurde best wel een poosje.
Af en toe ontmoetten hun ogen elkaar weer en allebei keken zij dan snel
snel een andere kant uit.
Uiteindelijk was de tram bij de halte waar de man eruit moest.
Hij durfde, aan het einde van de rit, de oudere vrouw vriendelijk te groeten. Zij gaf hem haar liefste glimlach, waarop de man stralend en blij uitstapte.
Het was van zo'n pure eenvoud wat er gebeurde tussen deze twee mensen dat het mij raakte.
Twee mensen die elkaar niet kenden en terloops op een diep niveau even als voorbijgangers verbonden waren.
Alsof zij elkaar herkenden van lang geleden en dit even uitwisselden.
Hoe mooi!
Er gebeuren, als je oplettend in het leven staat, veel mooie dingen om ons heen.
De kunst is genoeg rust in mijn leven te creëren zodat zij
binnen kunnen komen. Genoeg rust en tijd nemen om ze te signaleren.
Het zijn de kleine dingen die het doen!
De kleine dingen van alledag.
donderdag 7 november 2013
donderdag 31 oktober 2013
Hypermodern
Ik ben deze week in Zeeland als mantelverzorger bij een familielid.
Het leven heeft veel leermomenten.
Er valt altijd wel iets te leren ook als je ouder wordt.
Omdat ik vorige week mijn schrijfsel lang genoeg vond heb ik een stukje weg
gelaten wat er eigenlijk bij hoorde.
Ik wil het alsnog plaatsen omdat het er nu eenmaal voor geschreven is.
En het komt prima uit omdat ik deze week niet aan schrijven toekom.
Bovendien vang ik zo 2 vliegen in één klap.
Ik ben een blog begonnen om over alles wat ik zie en wat mij ter harte gaat
te kunnen schrijven.
En dierenleed gaat mij ter harte omdat dieren van ons afhankelijk zijn.
Wij voor hen verantwoordelijkheid dragen.
Een poosje geleden was er een open dag in mijn omgeving.
Er waren allerlei bedrijven die hun deuren wijd open zetten voor het publiek.
Ik ging er op af.
Zo kwam ik terecht bij een hypermoderne veehouderij.
De veehouder vertelde trots aan ieder die het horen wilde hoe goed de dieren wel niet werden verzorgd.
Het voorbeeld was voor handen. Hij wees naar een varken.
Het dier lag op een houten vlonder in een klein hok, meer een hoge houten kooi.
Het moest jongen krijgen en had alleen maar ruimte om stil te blijven liggen.
Het varken werd iedere dag getemperatuurd en zodra het maar iets verhoging
had kreeg het antibiotica.
Kan het wranger vraag ik mij af.
Ik kreeg hetzelfde gevoel van vroeger uit mijn kindertijd: het ging weer mijn
begrip te boven.
Ik ben even naar buiten gelopen om de frisse lucht in te ademen.
Ik vind dat zo'n varken een vreselijk leven heeft.
Het varken uit mijn kinderjaren had in ieder geval een veel beter leven!
Het had genoeg levensruimte. En dat heeft ieder wezen nodig!
Het leven heeft veel leermomenten.
Er valt altijd wel iets te leren ook als je ouder wordt.
Omdat ik vorige week mijn schrijfsel lang genoeg vond heb ik een stukje weg
gelaten wat er eigenlijk bij hoorde.
Ik wil het alsnog plaatsen omdat het er nu eenmaal voor geschreven is.
En het komt prima uit omdat ik deze week niet aan schrijven toekom.
Bovendien vang ik zo 2 vliegen in één klap.
Ik ben een blog begonnen om over alles wat ik zie en wat mij ter harte gaat
te kunnen schrijven.
En dierenleed gaat mij ter harte omdat dieren van ons afhankelijk zijn.
Wij voor hen verantwoordelijkheid dragen.
Een poosje geleden was er een open dag in mijn omgeving.
Er waren allerlei bedrijven die hun deuren wijd open zetten voor het publiek.
Ik ging er op af.
Zo kwam ik terecht bij een hypermoderne veehouderij.
De veehouder vertelde trots aan ieder die het horen wilde hoe goed de dieren wel niet werden verzorgd.
Het voorbeeld was voor handen. Hij wees naar een varken.
Het dier lag op een houten vlonder in een klein hok, meer een hoge houten kooi.
Het moest jongen krijgen en had alleen maar ruimte om stil te blijven liggen.
Het varken werd iedere dag getemperatuurd en zodra het maar iets verhoging
had kreeg het antibiotica.
Kan het wranger vraag ik mij af.
Ik kreeg hetzelfde gevoel van vroeger uit mijn kindertijd: het ging weer mijn
begrip te boven.
Ik ben even naar buiten gelopen om de frisse lucht in te ademen.
Ik vind dat zo'n varken een vreselijk leven heeft.
Het varken uit mijn kinderjaren had in ieder geval een veel beter leven!
Het had genoeg levensruimte. En dat heeft ieder wezen nodig!
vrijdag 25 oktober 2013
Verduistering
Ik woonde als kind buiten het dorp in de polder, ver weg van het dorpsgebeuren.
Door het kamerraam zag je het wijde polderlandschap liggen met de
uitgestrekte akkers.
We hadden veel ruimte rondom het vrijstaande huis.
Aan de voorkant lag een grasveld, de plaats waar het spierwitte geitje altijd stond.
In dat gras, tegen de sloot aan, stonden bij de helling 2 oude, kromme mispelbomen.
Ik vond ze prachtig in hun lelijkheid!
In de oorlog en eigenlijk altijd, kwam die ruimte prima van pas voor
het houden van allerlei dieren.
Er stond een grote kippenren waar de kippen konden rondscharrelen.
Als ik moest kijken of er soms verdwaalde eieren in het hok lagen
haalde ik eerst even diep adem voordat ik mij in de ren waagde.
Ik was doodsbang van mijnheer de haan, die statig en deftig rondliep,
terwijl hij nauwgezet zijn harem in de gaten hield.
Die haan was echt een bazig heerschap, je wist nooit wat hij ging doen.
Hij kon je zomaar aanvliegen.
Vooral in de oorlog werd al die ruimte benut om dieren te houden
die dan later werden geslacht.
Zo stond een eindje van het huis op ons land een schuurtje waar het varken verbleef.
Het varken werd uitermate goed verzorgd.
Ik dribbelde vaak achter mijn oudere broer aan als hij het varken eten ging brengen.
Het varken was altijd weer blij als hij ons zag en eten kreeg en ik werd weer blij van zijn tevreden geknor terwijl hij at.
Even later liep ik tevreden achter mijn broer aan mee terug naar huis.
Al vond ik het maar niets dat het varken daar zo alleen achterbleef
als het nacht werd.
Het werd winter 1944.
Op een zaterdagavond kwam een bevriende slager.
Het varken werd in het donker uit haar hok gehaald en naar ons huis gebracht.
Opeens drong het tot mij door dat we het varken zouden gaan opeten.
Het was in de oorlog niet de bedoeling dat je een varken groot bracht voor
eigen gebruik.
Alles was voor de Duitsers en een varken konden zij heel goed gebruiken.
Daarom moest het zo stil mogelijk gebeuren.
De slachtruimte was goed verduisterd zodat niemand het kon zien.
Ik vond het een angstig gebeuren! Het varken werd de schuur ingeduwd en
getrokken. Het kermde luid van angst en ellende.
Het moest zo snel mogelijk stil zijn en daarom vliegensvlug dood.
Ik begreep er niets van. Waarom moest het varken nu ineens dood?
Het was niet eerlijk!
Het werd toch niet zo goed verzorgd om te worden opgegeten?
Het voelde als verraad naar het varken
Ik zag mij weer lopen achter mijn broer over het smalle paadje.
Hij kon nauwelijks de emmer dragen zo vol zat hij met eten.
En altijd weer was zij blij ons te zien en at zij knorrend haar eten op.
Daar lag ze nu, levenloos op haar zij. Dood.
Een poosje later hing de geur van het dode varken door het hele huis.
Het was om misselijk van te worden!
Zo verging het ook de kippen, de hanen, de konijnen.
Ik zag hoe mijn moeder kippen slachtte hoe zij hen de kop afhakte.
Ik vond het allemaal even luguber.
Nu, jaren later zijn we beland in de intensieve veehouderij:de bio-industrie.
En het blijkt van alle kanten dat het zijn tol eist.
Hoeveel ziekten hebben we nu inmiddels al niet zien langs komen.
Om niet te spreken over de vervuiling en de belasting voor het milieu
door de mestoverschotten.
Het wordt steeds duidelijker dat vegetarisch eten heel gezond is.
Ik ben jaren vegetariër geweest. Tegenwoordig eet ik wel eens vlees van de
biologische slager. Waarom?
Omdat ik dacht dat het gezonder zou zijn als je ouder wordt.
Nu twijfel ik daar sterk aan en ben mij aan het beraden weer helemaal vegetarisch te gaan eten.
Als ik een keertje vlees eet uit de bio-industrie voel ik mij echt schuldig.
Ik zie dan op mijn netvlies de megastallen. Volgepropte veeauto's met dieren
die onderweg dood gaan van ellende.
En in slachthuizen reien varkens aan een haak hangen.
Of nog erger, de beelden van het varken uit de oorlog.
Ik ben er van doordrongen dat ik in ieder geval geen vlees moet eten afkomstig uit de bio-industrie.
Het voedselprobleem in de derde wereldlanden zou voor een deel zijn opgelost als we minder, of nog beter, helemaal geen vlees meer zouden eten.
Het zou allereerst onszelf maar ook het wereldvoedselprobleem ten goede
komen.
Door het kamerraam zag je het wijde polderlandschap liggen met de
uitgestrekte akkers.
We hadden veel ruimte rondom het vrijstaande huis.
Aan de voorkant lag een grasveld, de plaats waar het spierwitte geitje altijd stond.
In dat gras, tegen de sloot aan, stonden bij de helling 2 oude, kromme mispelbomen.
Ik vond ze prachtig in hun lelijkheid!
In de oorlog en eigenlijk altijd, kwam die ruimte prima van pas voor
het houden van allerlei dieren.
Er stond een grote kippenren waar de kippen konden rondscharrelen.
Als ik moest kijken of er soms verdwaalde eieren in het hok lagen
haalde ik eerst even diep adem voordat ik mij in de ren waagde.
Ik was doodsbang van mijnheer de haan, die statig en deftig rondliep,
terwijl hij nauwgezet zijn harem in de gaten hield.
Die haan was echt een bazig heerschap, je wist nooit wat hij ging doen.
Hij kon je zomaar aanvliegen.
Vooral in de oorlog werd al die ruimte benut om dieren te houden
die dan later werden geslacht.
Zo stond een eindje van het huis op ons land een schuurtje waar het varken verbleef.
Het varken werd uitermate goed verzorgd.
Ik dribbelde vaak achter mijn oudere broer aan als hij het varken eten ging brengen.
Het varken was altijd weer blij als hij ons zag en eten kreeg en ik werd weer blij van zijn tevreden geknor terwijl hij at.
Even later liep ik tevreden achter mijn broer aan mee terug naar huis.
Al vond ik het maar niets dat het varken daar zo alleen achterbleef
als het nacht werd.
Het werd winter 1944.
Op een zaterdagavond kwam een bevriende slager.
Het varken werd in het donker uit haar hok gehaald en naar ons huis gebracht.
Opeens drong het tot mij door dat we het varken zouden gaan opeten.
Het was in de oorlog niet de bedoeling dat je een varken groot bracht voor
eigen gebruik.
Alles was voor de Duitsers en een varken konden zij heel goed gebruiken.
Daarom moest het zo stil mogelijk gebeuren.
De slachtruimte was goed verduisterd zodat niemand het kon zien.
Ik vond het een angstig gebeuren! Het varken werd de schuur ingeduwd en
getrokken. Het kermde luid van angst en ellende.
Het moest zo snel mogelijk stil zijn en daarom vliegensvlug dood.
Ik begreep er niets van. Waarom moest het varken nu ineens dood?
Het was niet eerlijk!
Het werd toch niet zo goed verzorgd om te worden opgegeten?
Het voelde als verraad naar het varken
Ik zag mij weer lopen achter mijn broer over het smalle paadje.
Hij kon nauwelijks de emmer dragen zo vol zat hij met eten.
En altijd weer was zij blij ons te zien en at zij knorrend haar eten op.
Daar lag ze nu, levenloos op haar zij. Dood.
Een poosje later hing de geur van het dode varken door het hele huis.
Het was om misselijk van te worden!
Zo verging het ook de kippen, de hanen, de konijnen.
Ik zag hoe mijn moeder kippen slachtte hoe zij hen de kop afhakte.
Ik vond het allemaal even luguber.
Nu, jaren later zijn we beland in de intensieve veehouderij:de bio-industrie.
En het blijkt van alle kanten dat het zijn tol eist.
Hoeveel ziekten hebben we nu inmiddels al niet zien langs komen.
Om niet te spreken over de vervuiling en de belasting voor het milieu
door de mestoverschotten.
Het wordt steeds duidelijker dat vegetarisch eten heel gezond is.
Ik ben jaren vegetariër geweest. Tegenwoordig eet ik wel eens vlees van de
biologische slager. Waarom?
Omdat ik dacht dat het gezonder zou zijn als je ouder wordt.
Nu twijfel ik daar sterk aan en ben mij aan het beraden weer helemaal vegetarisch te gaan eten.
Als ik een keertje vlees eet uit de bio-industrie voel ik mij echt schuldig.
Ik zie dan op mijn netvlies de megastallen. Volgepropte veeauto's met dieren
die onderweg dood gaan van ellende.
En in slachthuizen reien varkens aan een haak hangen.
Of nog erger, de beelden van het varken uit de oorlog.
Ik ben er van doordrongen dat ik in ieder geval geen vlees moet eten afkomstig uit de bio-industrie.
Het voedselprobleem in de derde wereldlanden zou voor een deel zijn opgelost als we minder, of nog beter, helemaal geen vlees meer zouden eten.
Het zou allereerst onszelf maar ook het wereldvoedselprobleem ten goede
komen.
maandag 21 oktober 2013
Beter doen
Ouders van nu voeden hun kinderen anders op dan wij het deden.
Onze kleinkinderen zijn anders groot gebracht dan onze kinderen.
Boeiend om naar te kijken.
Mijn moeder zei vaak als er weer een stel trouwde in haar omgeving:
"zo daar gaat weer een beter doener".
Ik zag dan een milde, licht ironische glimlach om haar mond.
Ik begreep dat zij dan dacht dan aan het opvoeden van kinderen.
Ik heb nog vaak aan die opmerking gedacht.
Ook toen ik zelf kinderen had en probeerde ze wat dingen mee te geven.
Als die dan anders waren dan mijn moeder mij leerde kon die zin boven water komen.
Ik zag hoe de geschiedenis zich ook bij mij herhaalde en dat mijn moeder
wist hoe de vork in de steel zat.
Dat iedere generatie het beter wil doen is een mooi streven.
En dat blijft een mooi streven, maar alle inzet ten spijt loopt het meestal uit op een een vergissing.
Want, op de keper beschouwd loopt iedere ouder, trouwens zij niet alleen,
maar ieder die het beter wil doen, tegen hetzelfde aan.
Want wat blijkt? Het is meestal niet beter, wellicht anders.
Ook de kinderen van nu zullen later trachten het beter te doen omdat zij verwachten dat het beter kan.
Ook zij zullen zoeken naar het beste voor hun kinderen.
Ik vraag mij af waar het door komt en waar het vandaan komt, dat verlangen in ons naar het betere, het beste.
Is het heimwee, het verlangen in ons naar het betere, een verlangen naar het verloren paradijs?
Ik heb lang gepiekerd over wat ik allemaal anders had moeten doen. Beter!
Het woog heel zwaar voor mij want ik moest het goed hebben gedaan.
Ik maakte mezelf daardoor heel belangrijk, het hing allemaal van mij af en
dat maakte het zwaarder dan nodig is.
Sinds ik het accepteer, en weet en begrijp dat ik het gedaan heb zoals ik het op dat moment kon, met de mogelijkheden en de inzichten die ik toen had, verdween die kramp.
En dat luchtte enorm op!
Ik sta daardoor speelser en meer ontspannen in het leven.
De kramp dat ik alles perfect moet en dat het van mij afhangt is voorbij.
Daarmee is niet het verlangen naar het verloren paradijs verdwenen.
Dat verlangen blijft en koester ik.
Onze kleinkinderen zijn anders groot gebracht dan onze kinderen.
Boeiend om naar te kijken.
Mijn moeder zei vaak als er weer een stel trouwde in haar omgeving:
"zo daar gaat weer een beter doener".
Ik zag dan een milde, licht ironische glimlach om haar mond.
Ik begreep dat zij dan dacht dan aan het opvoeden van kinderen.
Ik heb nog vaak aan die opmerking gedacht.
Ook toen ik zelf kinderen had en probeerde ze wat dingen mee te geven.
Als die dan anders waren dan mijn moeder mij leerde kon die zin boven water komen.
Ik zag hoe de geschiedenis zich ook bij mij herhaalde en dat mijn moeder
wist hoe de vork in de steel zat.
Dat iedere generatie het beter wil doen is een mooi streven.
En dat blijft een mooi streven, maar alle inzet ten spijt loopt het meestal uit op een een vergissing.
Want, op de keper beschouwd loopt iedere ouder, trouwens zij niet alleen,
maar ieder die het beter wil doen, tegen hetzelfde aan.
Want wat blijkt? Het is meestal niet beter, wellicht anders.
Ook de kinderen van nu zullen later trachten het beter te doen omdat zij verwachten dat het beter kan.
Ook zij zullen zoeken naar het beste voor hun kinderen.
Ik vraag mij af waar het door komt en waar het vandaan komt, dat verlangen in ons naar het betere, het beste.
Is het heimwee, het verlangen in ons naar het betere, een verlangen naar het verloren paradijs?
Ik heb lang gepiekerd over wat ik allemaal anders had moeten doen. Beter!
Het woog heel zwaar voor mij want ik moest het goed hebben gedaan.
Ik maakte mezelf daardoor heel belangrijk, het hing allemaal van mij af en
dat maakte het zwaarder dan nodig is.
Sinds ik het accepteer, en weet en begrijp dat ik het gedaan heb zoals ik het op dat moment kon, met de mogelijkheden en de inzichten die ik toen had, verdween die kramp.
En dat luchtte enorm op!
Ik sta daardoor speelser en meer ontspannen in het leven.
De kramp dat ik alles perfect moet en dat het van mij afhangt is voorbij.
Daarmee is niet het verlangen naar het verloren paradijs verdwenen.
Dat verlangen blijft en koester ik.
zaterdag 19 oktober 2013
Leven in het nu
Het lijkt zo vanzelfsprekend, natuurlijk leef ik nu.
Maar doe ik dat wel echt?
Ik heb nogal eens terug kijkjes naar vroeger.
Eckhart Tollen heeft een boek geschreven: De kracht van het nu
Maar ik ervaar steeds meer dat mijn leven mede gekleurd wordt door
mijn herinneringen en vroegere ervaringen.
En die, samen met het nu, geven mijn leven de totale kleur.
Soms heb ik zomaar heimwee naar de kleine dingen van vroeger.
Naar de snorrende zwarte kolenkachel met deurtjes. In die deurtjes zaten raampjes waarachter rood mica zat.
Ik zat op de grond voor de kachel en keek naar de vlammetjes achter de deurtjes. Door het rode mica werden ze fel rood gekleurd.
Een dansend vlammenspel waar ik nooit genoeg van kreeg.
Nu heb ik centrale verwarming en ik pas de thermostaat aan naar de koude.
Nu is mijn kamer egaal verwarmd. Ik heb geen koude rug en hete voeten.
Soms boots ik, nostalgisch als ik ben, het vroegere gevoel na en ga bij de radiator zitten alsof het een kolenkachel is.
Maar het lijkt er in de verste verte niet op.
Vroeger stapte ik op mijn brommertje en tufte door de winterkou naar mijn werk.
Als ik dan ijskoud op school aankwam en het schoolgebouw soms ook nog slecht verwarmd was, stond ik bibberend voor de klas.
Trouwens met die brommer was ik nogal onfortuinlijk.
Ik ben heel wat keren onderuit gegaan en lag dan met brommer en al op het wegdek. En ook grotere ongelukken heb ik gemaakt.
Een tweewielig, gemotoriseerd voertuig, bleek een brug te ver voor mij te zijn!
Wat een weelde dat mijn autootje nu 4 wielen heeft.
Ik denk nog verder terug. Hoe vroeger koningen en keizers reisden in een rijtuig. Hoe hun voeten werden warm gehouden met kolenstoofjes.
Leven in het nu. Heerlijk toch om te zwerven over internet?
Mijn telefoongesprekken zijn geminiseerd. In plaats daarvan vliegen de mails nu heen en weer.
Of ik dit fijn vind? Vaak wel want nu ik heb de touwtjes min of meer zelf in handen.
Maar soms ook mis ik de gezelligheid van even een praatje door de telefoon.
Ik heb er wel meer beschikbare tijd door gekregen en op school leerde ik dat tijd geld is.
Het geld tot nu nog nergens gevonden, maar wie weet!
Rijst meteen de vraag: verlang ik echt naar vroeger?
Vroeger is voorbij. Het verleden is een herinnering geworden.
Ik merk dat het op een oudejaarsavond overdenking gaat lijken.
Zo ver is het gelukkig nog niet. De tijd gaat toch al snel genoeg!
Daarom probeer ik wat rustiger te leven door mijn afspraken wat
meer te spreiden.
Op die manier probeer ik de tijd wat vast te houden zodat ik mij meer bewust ben van de dingen die ik doe. En dat bevalt mij eigenlijk prima!
Maar desondanks is het nog steeds zo, dat een week als een zucht is, die ongewild snel verdwijnt in de tijd!
Het valt mij op dat, als ik mijn oor te luister leg dit bijna iedereen hoor zeggen.
Ik vraag mij af: hoe komt dit? Wie het weet mag het zeggen!
Maar doe ik dat wel echt?
Ik heb nogal eens terug kijkjes naar vroeger.
Eckhart Tollen heeft een boek geschreven: De kracht van het nu
Maar ik ervaar steeds meer dat mijn leven mede gekleurd wordt door
mijn herinneringen en vroegere ervaringen.
En die, samen met het nu, geven mijn leven de totale kleur.
Soms heb ik zomaar heimwee naar de kleine dingen van vroeger.
Naar de snorrende zwarte kolenkachel met deurtjes. In die deurtjes zaten raampjes waarachter rood mica zat.
Ik zat op de grond voor de kachel en keek naar de vlammetjes achter de deurtjes. Door het rode mica werden ze fel rood gekleurd.
Een dansend vlammenspel waar ik nooit genoeg van kreeg.
Nu heb ik centrale verwarming en ik pas de thermostaat aan naar de koude.
Nu is mijn kamer egaal verwarmd. Ik heb geen koude rug en hete voeten.
Soms boots ik, nostalgisch als ik ben, het vroegere gevoel na en ga bij de radiator zitten alsof het een kolenkachel is.
Maar het lijkt er in de verste verte niet op.
Vroeger stapte ik op mijn brommertje en tufte door de winterkou naar mijn werk.
Als ik dan ijskoud op school aankwam en het schoolgebouw soms ook nog slecht verwarmd was, stond ik bibberend voor de klas.
Trouwens met die brommer was ik nogal onfortuinlijk.
Ik ben heel wat keren onderuit gegaan en lag dan met brommer en al op het wegdek. En ook grotere ongelukken heb ik gemaakt.
Een tweewielig, gemotoriseerd voertuig, bleek een brug te ver voor mij te zijn!
Wat een weelde dat mijn autootje nu 4 wielen heeft.
Ik denk nog verder terug. Hoe vroeger koningen en keizers reisden in een rijtuig. Hoe hun voeten werden warm gehouden met kolenstoofjes.
Leven in het nu. Heerlijk toch om te zwerven over internet?
Mijn telefoongesprekken zijn geminiseerd. In plaats daarvan vliegen de mails nu heen en weer.
Of ik dit fijn vind? Vaak wel want nu ik heb de touwtjes min of meer zelf in handen.
Maar soms ook mis ik de gezelligheid van even een praatje door de telefoon.
Ik heb er wel meer beschikbare tijd door gekregen en op school leerde ik dat tijd geld is.
Het geld tot nu nog nergens gevonden, maar wie weet!
Rijst meteen de vraag: verlang ik echt naar vroeger?
Vroeger is voorbij. Het verleden is een herinnering geworden.
Ik merk dat het op een oudejaarsavond overdenking gaat lijken.
Zo ver is het gelukkig nog niet. De tijd gaat toch al snel genoeg!
Daarom probeer ik wat rustiger te leven door mijn afspraken wat
meer te spreiden.
Op die manier probeer ik de tijd wat vast te houden zodat ik mij meer bewust ben van de dingen die ik doe. En dat bevalt mij eigenlijk prima!
Maar desondanks is het nog steeds zo, dat een week als een zucht is, die ongewild snel verdwijnt in de tijd!
Het valt mij op dat, als ik mijn oor te luister leg dit bijna iedereen hoor zeggen.
Ik vraag mij af: hoe komt dit? Wie het weet mag het zeggen!
maandag 14 oktober 2013
Draai het wieltje nog eens rond
Wij hadden vroeger een thuisnaaister.
Onze thuisnaaister, mocht boven in de zolderkamer haar werk doen.
Zij was een ongetrouwde vrouw met treurige ogen, alsof ze ieder moment
wilde gaan huilen.
Haar naam was Trui. Die naam, gecombineerd met hoe zij keek, riep bij mij een naar gevoel op.
Ze zat daar maar op dat kamertje met een hele berg verstelwerk voor haar neus, want iets weggooien gebeurde pas als het niet meer gemaakt of
vermaakt kon worden.
Soms vermaakte zij een jurk, van een oudere zus, passend voor mij.
Ik werd dan geroepen dat ik boven moest komen om te passen.
Aan dat passen had ik een hekel. En waarom?
Het lag niet aan de naaister want die was best wel aardig.
Wilde ik misschien liever een nieuwe jurk? Zou zo maar kunnen.
Jufrouw Trui kwam zo’n beetje om de 4 weken, geloof ik.
Niemand verdiende veel, dus ook zij niet.
‘s Avonds ging zij naar huis met een habbekrats. Maar let wel, met gratis de kost, zoals dat heette. Dat wel.
Ja, dat waren nog eens tijden. Ieder wist haar/of zijn plaats. En alles was duidelijk!
Bovendien was het een hele eer om ergens gevraagd te worden als thuisnaaister.
Het slaapkamertje telde één raampje. Als je ging staan kon je de overkant
van de straat zien!
Hoe was het voor juffrouw Trui om de hele dag alleen in dat kamertje te zitten met een berg verstelwerk voor haar neus?
En, zou haar arm ‘s avonds niet doodmoe geweest zijn van het draaien aan het wiel van de naaimachine? Dat wiel draaide vliegensvlug rond, alsof zij achterna gezeten werd.
In ieder geval vond ik het eenzaam, alleen op dat kamertje.
Alsof zij daar werd opgesloten!
Gek al die gevoelens en herinneringen van vroeger.
Wat doet alles met je als je kind bent. Waarom maken sommige, ogenschijnlijke gewone dingen, zoveel indruk? En dat je besef meestal veel later pas.
Wat ik vooral ontdekte? Dat ik als kind eigenlijk maar weinig uitsprak.
Alles stond nu eenmaal al vast. Alles was zoals het was. Een gegeven!
Ik denk, ondanks dat er veel veranderd is en er met kinderen veel meer wordt gepraat dan vroeger, kinderen nog altijd meer voelen dan zij onder woorden kunnen brengen.
Later, zullen ook zij weer hun verhalen hebben over hun kinderjaren.
En zo blijft er altijd stof om te schrijven. Gelukkig maar.
Om een uur of 5 blies juffrouw Trui de aftocht. Even stil en teruggetrokken als zij gekomen was, ging zij naar huis.
De berg verstelwerk was van de tafel verdwenen.
En mijn jurk voor de zomer hing al klaar.
Het mooie weer kon bijna komen maar eerst de grote schoonmaak nog.
In het vroege voorjaar was er extra hulp nodig om de kelder leeg te scheppen.
Ik hoor in mijn oren nog altijd het schurende geluid over de cementen vloer.
In die kelder kwam iedere winter water te staan, en dat moest er uit,
vóór de zomer zijn intrede deed.
De kelder kon dan de hele zomer drogen.
Pas als de naaister was geweest, de schoonmaak erop zat, de kelder leeg gescheept was, dan mochten zon en zomer pas echt komen!
Hiep, hiep hoera!
Onze thuisnaaister, mocht boven in de zolderkamer haar werk doen.
Zij was een ongetrouwde vrouw met treurige ogen, alsof ze ieder moment
wilde gaan huilen.
Haar naam was Trui. Die naam, gecombineerd met hoe zij keek, riep bij mij een naar gevoel op.
Ze zat daar maar op dat kamertje met een hele berg verstelwerk voor haar neus, want iets weggooien gebeurde pas als het niet meer gemaakt of
vermaakt kon worden.
Soms vermaakte zij een jurk, van een oudere zus, passend voor mij.
Ik werd dan geroepen dat ik boven moest komen om te passen.
Aan dat passen had ik een hekel. En waarom?
Het lag niet aan de naaister want die was best wel aardig.
Wilde ik misschien liever een nieuwe jurk? Zou zo maar kunnen.
Jufrouw Trui kwam zo’n beetje om de 4 weken, geloof ik.
Niemand verdiende veel, dus ook zij niet.
‘s Avonds ging zij naar huis met een habbekrats. Maar let wel, met gratis de kost, zoals dat heette. Dat wel.
Ja, dat waren nog eens tijden. Ieder wist haar/of zijn plaats. En alles was duidelijk!
Bovendien was het een hele eer om ergens gevraagd te worden als thuisnaaister.
Het slaapkamertje telde één raampje. Als je ging staan kon je de overkant
van de straat zien!
Hoe was het voor juffrouw Trui om de hele dag alleen in dat kamertje te zitten met een berg verstelwerk voor haar neus?
En, zou haar arm ‘s avonds niet doodmoe geweest zijn van het draaien aan het wiel van de naaimachine? Dat wiel draaide vliegensvlug rond, alsof zij achterna gezeten werd.
In ieder geval vond ik het eenzaam, alleen op dat kamertje.
Alsof zij daar werd opgesloten!
Gek al die gevoelens en herinneringen van vroeger.
Wat doet alles met je als je kind bent. Waarom maken sommige, ogenschijnlijke gewone dingen, zoveel indruk? En dat je besef meestal veel later pas.
Wat ik vooral ontdekte? Dat ik als kind eigenlijk maar weinig uitsprak.
Alles stond nu eenmaal al vast. Alles was zoals het was. Een gegeven!
Ik denk, ondanks dat er veel veranderd is en er met kinderen veel meer wordt gepraat dan vroeger, kinderen nog altijd meer voelen dan zij onder woorden kunnen brengen.
Later, zullen ook zij weer hun verhalen hebben over hun kinderjaren.
En zo blijft er altijd stof om te schrijven. Gelukkig maar.
Om een uur of 5 blies juffrouw Trui de aftocht. Even stil en teruggetrokken als zij gekomen was, ging zij naar huis.
De berg verstelwerk was van de tafel verdwenen.
En mijn jurk voor de zomer hing al klaar.
Het mooie weer kon bijna komen maar eerst de grote schoonmaak nog.
In het vroege voorjaar was er extra hulp nodig om de kelder leeg te scheppen.
Ik hoor in mijn oren nog altijd het schurende geluid over de cementen vloer.
In die kelder kwam iedere winter water te staan, en dat moest er uit,
vóór de zomer zijn intrede deed.
De kelder kon dan de hele zomer drogen.
Pas als de naaister was geweest, de schoonmaak erop zat, de kelder leeg gescheept was, dan mochten zon en zomer pas echt komen!
Hiep, hiep hoera!
donderdag 10 oktober 2013
Het dorpsplein vertelt
Proloog
Zou het toeval zijn dat men mij juist gisteren op mijn driehonderd en vijftigste verjaardag vroeg iets over vroeger te vertellen?
Dit jaar staan pleinen, te weten dorpspleinen in de belangstelling.
Van college dorpspleinen hoorde ik dat deze vraag hen ook al werd gesteld.
Iedere tijd heeft zijn eigenaardigheden, en wij dorpspleinen voelen ons gevleid
door al deze aandacht. Bovendien hebben wij in ons lange leven veel gezien en meegemaakt.
De eerste jaren vanaf 1640 waren wonderlijke jaren, waarin ik veel leerde.
De eikenboom
Zie je daar in het midden van mij die grote eik staan?
Vóór deze stond daar een andere eik, een machtig grote.
Toen ik nog maar enkele maanden oud was werd op diezelfde plaats een
onooglijk eikenboompje geplant.
Ik voelde mij beledigd dat er zo”n stokkerig armetierig boompje op mij
geplant werd.
In het begin hield ik dan ook mijn mond dicht als het ding tot mij sprak.
Ik hield dit een jaar vol. Winter, voorjaar, zomer, verstreken.
Toen in de herfst het boompje zo kaal als een luis werd lachte ik in mijn vuistje.
Meedogenloos nam de wind het laatste blaadje mee.
Het irriteerde mij dat het boompje even parmantig als altijd bleef staan.
En deed alsof alles heel gewoon was.
Toen in het vroege voorjaar, voer er een trilling door het boompje.
Het ritselde en ik hoorde zachte stemmen.
Ik luisterde, ik keek en zag dat uit de dunne takjes kleine puntjes kwamen
groeien die groter werden.
Langzaam rolden ze zich open. Teer groene blaadjes, de randjes nog gekruld.
Ze deinden met de takken mee op de wind.
Ik vergat alles hield mijn adem in en fluisterde:“boompje wat ben je mooi”
Hij lachte blij, boog sierlijk zijn kruintje en zei:“dank u”.
Vanaf die tijd tutoyeerden we elkaar en sloten vriendschap voor het leven.
Wat hadden we het gezellig.
Lange gesprekken voerden we met elkaar over alles wat we hoorden,
zagen en dachten.
Veel later gebeurde het erge. Het was in het jaar 1790.
We waren beiden 150 jaar.
Het eikenboompje was een geweldige eik geworden.Een prachtige boom.
Een parasol voor mij tegen de felle zon in de hete zomers.
De herfststormen loeiden weer over het land en deed de bomen schudden.
Boven mij hoorde ik mijn vriend steunen en kraken.
Toen hoorde ik hem mompelen: ”het is gedaan met mij. Ik raak uitgeput.
Mijn wortels geven mij geen levenskracht meer, ze zijn te moe”.
“Alstublieft” smeekte ik:“blijf staan! Blijf dicht bij mij het wordt zo eenzaam
zonder jou”
Mijn vriend keek mij aan en zei:“na mij zullen weer nieuwe bomen groeien.
Je kent nu toch het wonder?”
Abonneren op:
Posts (Atom)