dinsdag 30 juli 2013

Van protocollen en een rode kaart

De jaarwisseling van 2007 komt steeds dichterbij.
We zijn door een bestaande vriendengroep, die wij zijdelings kennen,  voor het eerst uitgenodigd dit jaar samen met hen de jaarwisseling te vieren.
Ik vooral heb er veel zin in. Leuk om eens op een andere manier de jaarwisseling mee te maken.
We moeten er wel voor naar Drente maar dat doen we wel even.

Het is de avond van 27 december.
Gijs en ik spelen aan tafel een spelletje rummicub.
De winteravonden zijn lang en echt fervente televisiekijkers zijn we niet.
De gordijnen zijn dicht getrokken. De kamertemperatuur is behaaglijk warm.
Kortom een ouderwetse winteravond!
Ik heb last van mijn rug de laatste tijd. Ook nu. Geen aandacht aan besteden zeg ik in mijzelf.
Gewoon wachten tot het weer overgaat.
Maar het gaat niet over. Het blijft maar duren. Het wordt alleen maar erger.
Toch maar even zeggen tegen Gijs?.
 “Ik heb pijn in mijn rug, die steeds erger wordt” zeg ik.
Het zou toch geen hartinfarct zijn, flitst het door mij heen.
Hij kijkt mij vragend aan: ”Is het erg”. 
Ik knik: “best wel”.
We dubben. Want wat gaan we doen?
“Nog maar even aanzien. Het zal toch wel gaan afzakken?” zeg ik.
 Helaas, is dat niet het geval. Integendeel!  Het wordt steeds duidelijker dat we iets moeten doen.
De ambulance bellen?
Gijs waagt een poging, maar de stem aan de lijn heeft allerlei adviezen die geen hout snijden.
Inmiddels lijkt het best urgent te worden. De pijn wordt nu heel heftig.
We worden onrustig en zenuwachtig.
Uiteindelijk besluiten we dan maar zelf naar de dokterspost te rijden.
Daar zullen ze wel klaar staan en mij opvangen!
We moeten aanbellen want de deur is gesloten. Een medewerker komt aanlopen en opent de deur.
“Heeft u gebeld?”: Nee, dat hebben wij niet.
“Waar komt u voor?”
“Ik heb erge pijn in mijn rug”.
“Maar u heeft niet eerst gebeld en dat moet. U kunt hier niet zomaar, zonder vooraf te bellen, binnenlopen”.
“O, dat wisten we niet” zeg ik.
“Het protocol is dat u eerst belt. Gaat u daar maar zitten tot u aan de beurt bent. Mensen die gebeld hebben gaan wel voor”.
Als makke schaapjes gaan wij zitten en kunnen zien hoe het wel hoort.
Die mensen gedragen zich volgens de regels van het protocol en hebben dus vooraf gebeld. We kijken onze ogen uit!

Inmiddels  komt de desbetreffende man uit een kamertje.
Hij loopt naar ons toe. In zijn hand heeft hij twee rode kaarten, waarmee hij zwaaiend naar ons toe komt lopen.
Twee rode kaarten, voor ieder van ons één.
Hierop staan de regels van het protocol, zodat wij het nooit meer vergeten of verkeerd zullen doen. Alsof ik hier morgen weer wil zitten!
Wat er op die rode kaart staat hebben wij nooit gelezen. Die is bij het vuil terechtgekomen.
Ik heb nog altijd spijt dat ik hem voor zijn ogen niet heb verscheurd!
We zitten inmiddels al een uur te wachten!
De pijn golft nu door mij heen en is ondragelijk.
Vanuit mijn rug trekt het nu ook door mijn linkerarm naar mijn hand.
Ik kan niet meer zitten. De pijn probeer ik op te vangen door heen en weer te lopen.
Als ik de man weer zie, loop ik zo goed en kwaad als het gaat naar hem toe en zeg: “ik heb echt heel erge pijn hoor”.
“U heeft een wandelende nier “ zegt hij terloops en weg is hij. Ik heb het nakijken.
Ik weet niet waar ik het zoeken moet! Verbijsterd ben ik. Ten einde raad.
Is die man gek? Waar ziet hij mij voor aan?
Wanhopig blijf ik, krom van de pijn, heen en weer lopen.

Eindelijk, na nog een kwartier wachten wordt het ons vergund dat wij naar de dokter mogen.
De man loopt, met statige passen, voor ons uit naar de artsenkamer.
Hij levert ons voldaan af bij de spreekkamer.
Zijn “werk” zit erop!
De arts neemt de bloeddruk op. Luistert naar mijn hartslag.
Hij hoeft hij niet na lang na te denken. “U heeft een hartinfarct”, zegt hij.
Ik hoor het wel, maar de woorden komen van heel ver.
Hij geeft een tabletje voor onder mijn tong. Hij spuit wat vloeistof in mijn mond
Misschien bracht dat wat verlichting. 
Wat verder volgt gaat allemaal razendsnel.
Er wordt een brancard binnen gereden waar ik word opgelegd.
Ik ben nu ook gaan overgeven.
Als ik klaar lig voor vervoer met de ambulance komt de man nog even binnenlopen. “Het klopt niet” zegt hij aan mijn bed.
Een briljante opmerking!
Ik doe er het zwijgen toe. Te moe, te ziek en te verward om te kunnen zeggen dat ik daar zelf al veel eerder achter was.
Het tabletje werkt: ik lig voor pampus. Kan niets meer zeggen.

In de ambulance, op weg naar het ziekenhuis, voel ik mij wegglijden.
En het voelt goed: zo onuitsprekelijk goed, en vredig.
Ik wil meegaan. Erin wegzinken. Die volkomen goedheid en vredige stilte nooit meer loslaten.
Helaas, de ambulancebroeder denkt er anders over.
De hele rit blijft hij mij bestoken met vragen, waarop hij antwoord verwacht.
Het irriteert mij mateloos, terwijl ik wil roepen: laat mij toch gaan!
Laat mij met rust.
Maar ieder woord kost mij enorm veel inspanning en moet ik bevechten.
Tenslotte zijn wij bij het ziekenhuis aangekomen.
Gijs komt met de auto er achteraan wordt mij verteld. Hij kan er zo zijn.
Een team van artsen en verplegers staat klaar om mij te gaan dotteren.
Het lijkt alsof het allemaal in de verte gebeurd. Alsof mijn bril beslagen is.

Gijs is nu gelukkig ook binnen gekomen. Het dotteren kan beginnen.
Wat en hoe dit gebeurde? Alles wat ik er mij nog van herinner, zijn flarden.
Na het dotteren hoor ik dat er eerder al wat kleinere infarcten waren.
En dit klopt weet ik.

Nog steeds ben ik dankbaar hoe ik werd opgevangen. Verbaasd, dat een heel ziekenhuisteam mij opwachtte. Klaar voor mij stond.
En, hoe zorgzaam en attent zij hun werk deden.
Zo kan het dus ook!

donderdag 14 maart 2013

Zing nog een lied


Ik ben nu bijna driekwart eeuw min of meer hier aanwezig. Met stijgende verbazing zie ik dat de wereld om mij heen steeds sneller verandert.
Alleen al in het onderwijs zijn de veranderingen niet van de lucht.
Of je er blij mee moet zijn is een vraag want waar blijft de echte oplossing?

Als ik denk aan mijn lagere schooltijd, dat is nu ruim 65 jaar geleden, ga ik langzamerhand die jaren toch in een ander perspectief plaatsen.
Ons gezin ging naar “De School met den Bijbel". Het was geen grote school. Er zaten ongeveer 130 tot 150 leerlingen op.
Soms werden er twee leerjaren bij elkaar gevoegd in één lokaal omdat er te weinig kinderen waren voor dat jaar.
Voor sommige kinderen was het spannend want zo kon je ook al iets opvangen van het volgende jaar.
Voor mij was dat een brug te ver. Ik had genoeg aan het gegeven van nu.  Ik heb de hele schooltijd slecht opgelet. Verveelde mij mateloos.
Die eindeloze leeslessen waarin je om de beurt hardop moest voorlezen. Het boekje had je van verveling al een paar keer stiekem uitgelezen. 
Eén wand van het lokaal had hoge ramen. Als ik mijn hoofd iets naar  achteren deed en naar links keek kon ik de wolkenlucht zien.
Ik zag dat de lucht er iedere dag anders uitzag. Als de wolken snel voortbewogen keek ik ze verlangend na zover ik kon. 
Het zal niet de bedoeling zijn geweest maar die ramen hadden voor mij  een nuttige, prettige functie.  Gelukkig zat ik op de achterste bank, dat voelde heel vrij.
Ook de platen met bijbelse taferelen hadden mijn volle aandacht. En niet te vergeten de taferelen uit de Vaderlandse Geschiedenis.

Op vrijdagmiddag was ik meestal helemaal aanwezig
Dat waren mijn feestmiddagen. Ook al duurde het feest helemaal één uur.
Als je dan door de lange gang liep hoorde je canons zingen. Gedichten voordragen. Of er werd een boek voorgelezen.  In alle lokalen was het laatste uur van de vrijdag een feestuur. En dat was te horen! Het leek een andere school.
Tekenen stond helaas ook op het program. Minder leuk voor mij. Beter gezegd, een regelrechte ramp.
Ik kreeg geen lijn op papier, alsof mijn handen werden vastgehouden.
Zo werd het mij toen al duidelijk dat ieder voordeel een nadeel heeft.
En ook dat jaloezie bestaat.

De meeste herinneringen heb ik aan de  vijfde en zesde klas.
In klas vijf stond een meester voor de klas die bezeten was van muziek.
Hij leerde ons de toonladder zingen. Met zijn rechterhand gaf hij met handgebaren de noten van de toonladder aan. Iedere noot had een eigen gebaar.
Wij zongen die toonladder op allerlei manieren. Van beneden naar boven en terug. Of met grote verspringingen. 
Het werd ons met heel veel enthousiasme aangeboden. Ik vraag mij wel eens af of de andere kinderen er ook zo van genoten. Of zij er ook nooit genoeg van konden krijgen!
En dan het zingen van de canons: Vader Jacob. Brand in Mokum. De uil zat in de olmen. Hoe geweldig klonk dat!

Het was echt een begenadigd onderwijzer, die meester uit de vijfde klas.
Hij kon ook nog prachtig vertellen. De overbekende bijbelverhalen gingen leven.
Maar ook de mannen uit de Vaderlandse Geschiedenis stonden op. 
De dood van Willem de Zwijger hing met een grote plaat op de muur. Daar lag hij, halverwege de trap. Dood!
Hij vertelde over mannen die belangrijke, grootse dingen deden voor ons land.
Daardoor werden ze heel belangrijk voor ons.
Na een paar weken had je al die platen in dit lokaal ook wel weer gezien en lag er nog een heel jaar voor je.

Het zesde leerjaar is mij het meest bijgebleven.
De hoofdonderwijzer was zijn roeping misgelopen.
Als hij gedichten declameerde werd het een ander mens!
Met de vereiste intonatie in zijn stem, en zo nodig breed gebarend, ijsbeerde hij door het lokaal.
Nog altijd klinken die gedichten van toen in mijn oren. Verrijzen de beelden die werden opgeroepen.
Als hij vol overgave voordroeg: “Zij kwamen na jaren uit Brabant weerom, met vliegend vaandel en slaande trom”, zag ik het leger over de dijk marcheren.
De oorlogsbeelden zaten tenslotte nog vers in mijn herinnering. Evenwel, het was nu wel ons leger dat oprukte.
Ik zag het duin voor mij, waar het leger stopte bij de grafheuvel van de gesneuvelde kameraden. Hoe zij het saluut maakten en als laatste eerbetoon het Wilhelmus zongen.
Ik zag “Boerke Naas” met stapkens licht en met de beurze zwaar, naar huis snellen.

En dan als klapper nog het zanguurtje.
De meester was klein van stuk, maar hoe dapper hanteerde hij zijn viool.
Daar stond hij en bespeelde, alsof zijn leven ervan afhing, het instrument waarop zijn kin rustte.
En wij zongen uit volle borst alle liedjes die wij bij hem en vorige leerkrachten hadden geleerd. 
Die oude liedjes die je nu in zorgcentra nog kunt horen zingen.
Wij zongen ons dan los. Nu mochten wij er zijn en ons laten horen!

Hoe belangrijk die jaren voor mijn leven waren dringt steeds meer tot mij door.
Natuurlijk, er valt van alles aan af te dingen zoals het vroeger was.
Onze ouders moesten ploeteren om rond te komen. Hadden meestal veel minder kennis om door te geven. Daardoor had de school ook zo'n  grote taak.
Die eenvoudige onderwijzers van toen hebben waarschijnlijk nooit bevroed hoeveel zij hebben doorgegeven aan vorming. En daarmede aan levensgeluk.
Zij maakten tijd vrij voor andere dingen dan alleen kennisoverdracht.

Het onderwijs is al vele keren vernieuwd.  Het ei van Columbus is al vele malen gevonden. 
En het eind van al die vernieuwingen en aanpassingen is waarschijnlijk nog niet in zicht.
In deze tijd draait het op scholen vooral om hoe men scoort met de Cito-toetsen.
Naar mijn gevoel gaat  het over de hoofden van de kinderen heen, vooral ook over dat van de school.
Het is toch te gek voor woorden dat kinderen van 10 jaar onder druk staan? 
Alsof die toetsen het geluk van hun leven gaat bepalen? En nog gekker: er wordt nu zelfs al op de kleuterschool begonnen.
De laatste tijd lijken er wat barsten te ontstaan in de zekerheid of al die toetsen  wel nuttig zijn. 
Hopelijk komen er andere tijden! Wie weet komt toch nog het ei van Columbus tevoorschijn.

vrijdag 1 maart 2013

Vindt ze dit misschien leuk?

Het is een uitgelezen zomerdag. Het zonnetje schijnt en de temperatuur is precies zoals je het wenst.
Is er een mooier moment om met dochterlief Judith, en kleindochter laura naar het stadshart te lopen. Ik heb echt iets nieuws nodig!
De afstand naar de winkels  is net een mooie wandeling is.
Als we gezellig keuvelend door de winkelstraat lopen stop ik en stel voor: “Zullen we hier even binnen kijken?
Als we binnenstappen komt er meteen een mevrouw naar ons toe lopen.
Ze vraagt aan Judith: “kan ik u soms ergens mee helpen”?
Een beetje overrompeld kijken we elkaar aan, zoveel haast is er nu ook weer niet bij.
We kunnen best zelf eerst even rondkijken, maar dat is niet de bedoeling en staat blijkbaar niet in het protocol van deze winkel.
Judith kijkt mij afwachtend aan. 
“Misschien kunt u mij helpen” zeg ik en loop iets naar voren.
“Ik zoek iets voor een feestelijke gelegenheid”.
“Ja hoor. Ik denk wel dat wij wel iets voor haar hebben” zegt de verkoopster, glimlachend naar Judith.
“Loopt u maar even met mij mee! Welke maat heeft zij?”
Judith kijkt mij wanhopig vragend aan. Ik zie haar denken, tot ze zegt: “vraag het haar zelf!
Opgelucht haal ik adem. Gelukkig, nu zal ze wel begrijpen dat ik aanwezig ben.
Als illustratie ben ik vooruit naar het rek gelopen waar mijn maat hangt.
Ik ben niet helemaal van lotje getikt, mokt het in mij.
“O u heeft het al gevonden? Haar stem schalt verwonderd door de winkel, terwijl ze mij bemoedigend aankijkt!
Wat gebeurt hier vraag ik verwonderd af. Zie ik er werkelijk zo uit dat ik niet voor mezelf kan zorgen? Mijn woordje niet meer kan doen?
Ik voel vertwijfeling en onmacht, maar ook heel veel boosheid
Ik kijk naar de verkoopster, terwijl ik mij afvraag hoe het komt dat zij zich zo opstelt.
Benaderd zij alle oudere mensen zo, of alleen mij?  Hoe kijkt zij tegen het ouder worden aan?
Bij het kledingrek staat een spiegel. Bevreemd kijk ik naar mijn spiegelbeeld.
Wat is er met mij aan de hand dat ik ineens niet meer volwaardig blijk te zijn? Waardoor komt het dat over mijn hoofd heen alles geregeld moet worden?
De verkoopster praat ongedwongen, alsof ik niet besta, met Judith verder.
Ze heeft het over de crisis, over de service die ze zelfs nu gewoon blijven leveren.
Ik zie dat Judith zich inmiddels vertwijfeld afvraagt of er nog iets te redden valt aan de situatie?
Kleindochter Laura staat geduldig te wachten. Ze kijkt vragend en verwonderd van de één naar de ander.
Het liefst zou ik de verkoopster tot de orde roepen. Hoe doe je zoiets?
Ik ben totaal verbijsterd door de vanzelfsprekendheid waarmee zij te werk gaat, en zo geheel ter goeder trouw is, lijkt het.
Bovendien ben ik keurig en beleefd opgevoed!


Zij komt naar het kledingrek lopen. “U heeft maat 38?”
De verkoopster wendt zich, vol ongeloof, naar mij toe.
Ik trek een pakje, dat mij leuk lijkt, uit het rek. Waar is de paskamer?
O daar, ik zie het al. Dit alles in volkomen stilzwijgen.
Dochter en kleindochter lopen meelevend met mij mee.
Het leek ons zo gezellig om met zijn drieën te winkelen! Ik was zo blij dat ze meegingen om iets uit te zoeken.
De verkoopster loopt ook mee naar de paskamer.
Even later kom ik tevoorschijn in mijn nieuwe outfit. “Hoe staat dit?” Ik kijk naar Judith en Laura.
“Het staat je leuk, en je bent er heel slank in!” Ze zijn het helemaal eens met elkaar.
Zo, hier kan ik het even mee doen. Dit opkikkertje is meer dan welkom!
Wat voor bloesje staat er bij? 
Nog voor ik mijn vraag kan stellen komt de verkoopster al met een bloesje aanlopen.
“Zou ze dit misschien leuk vinden”? Ze kijkt vragend naar de anderen.
Ik hef mijn handen hulpeloos ten hemel, en doe er tenslotte, onwillig berustend, het zwijgen maar toe.
Het bloesje dat ze heeft gehaald vind ik helemaal niet mooi.
Het past van geen kant, en staat ook niet. En, al zou ik het mooi vinden dan zou ik het nog niet nemen!

“Willen jullie even iets uitzoeken?” Mijn vraag is gericht aan Judith en Laura. Zij kennen mijn smaak, weten feilloos wat ik mooi vind.
Ik wacht in de paskamer. Dom om niet gelijk een bloesje uit te zoeken! 
Zou er toch iets met mij loos zijn? Ik kan toch ook, evenals ieder ander, dement worden?
Als ze met twee bloesje aan komen lopen, ben ik blij verrast, helemaal in de roos!
De verkoopster valt stil bij zoveel eigen inbreng. Tot grote opluchting van ons drieën.
As ik de bloesjes heb gepast, maak ik mijn keuze.
Ondanks de perikelen erom heen ben ik heel goed geslaagd. Op naar het feest!
Even later pin ik de betaling. Judith en Laura wachten al bij de uitgang.
De verkoopster loopt mee.
Bij de deur zegt ze tegen Judith en Laura:“fijn hé, dat ze is geslaagd!”

Buiten gekomen ontplof ik bijna!
Ik ben mij aan het beraden hoe ik dit een volgende keer kan oplossen.
Zo wil ik niet meer benaderd worden. Zo kun je niemand benaderen!

Haal maar even een potje pindakaas

Het kan niemand ontgaan: er is crisis in dit land.
Soms lijkt het alsof er niets anders meer is dan dit. Overal is het hoorbaar, op de markt roepen de marktkooplui luid: “mensen het is crisis” om daarna hun aanbiedingen rond te bazuinen.
Vooral de ouderen vinden dat zij het zwaar te verduren hebben nu er aan hun inkomen wordt geknabbeld.
De levensstandaard van nu is even hoog als in 2007 en toen voelden we ons over het algemeen toch niet arm. Nu we echter een stapje terug moeten doen, is het een heel ander verhaal en worden we arm gepraat.
Opvallend is dat mensen die echt moeten ploeteren om rond te komen omdat er maar heel weinig binnenkomt, bijna niet worden gehoord.
Ik vraag mij af hoe zij het ervaren als mensen met hoge lonen klagen dat zij iets moeten inleveren.  Durven zij nog geloven dat er solidariteit is?

Ik was in 1949 een kind van tien jaar.
Ons gezin woonde buiten het dorp aan een dijk. Vanuit de woonkamer keken we uit over het uitgestrekte polderlandschap. Naast ons huis was een wei waarin ’s zomers de koeien vredig graasden, en ik van de madeliefjes en boterbloemen kransjes vlocht.
De andere huizen die aan de dijk stonden, waren evenals ons huis, vrijstaand.
Iets verderop was een winkeltje, het kleinste kruidenierswinkeltje dat ik ooit zag.
Met drie mensen was de winkel meer dan vol. Langs de muren waren wat planken aangebracht waar de te verkopen artikelen stonden. De meest voorkomende artikelen waren koffie, suiker, rijst, bloem en tarwe.
De stroop stond in een grote pot. Met een lepel werd de stroop in een glas geschept dat je zelf had meegebracht.
Ons gezin telde veel kinderen en we kwamen allemaal wel eens aan de beurt om naar het winkeltje te rennen voor een boodschap.
Soms stond ik weifelend voor het winkeltje omdat ik al voor de derde maal kwam die dag, maar de oudere vrouw achter de toonbank werd nooit boos. Misschien, denk ik nu, was zij wel blij met de klandizie van ons grote gezin!
Mijn moeder moest het grote gezin zonder mijn vader grootbrengen, er kwam weinig geld binnen, boodschappen werden maar mondjesmaat gekocht.
Op het platteland is er gauw genoeg te eten, er werden dieren gehouden voor de slacht, op het land werden gewassen verbouwd voor eigen gebruik.
Wat verder nog gekocht moest worden aan levensmiddelen was eigenlijk min of meer verspilling.

De Christelijke feestdagen waren de hoogtepunten van het jaar!
Naast het veelvuldige kerkbezoek was er veel gezelligheid, vrienden en vriendinnen uit de kerk mochten meekomen.
Soms, met de feestdagen, zei moeder tegen één van ons: “weet je wat, haal maar een potje pindakaas bij Vredeveld, het is morgen Paasfeest”. Dat gebeurde ook vandaag.
Pindakaas, was er iets lekkerder dan pindakaas? Het water liep al uit mijn mond!
Even later scheurde mijn oudere zus op de fiets over de dijk, op naar kruidenier Vredeveld voor de pindakaas. Zij sjeesde voorbij het kleine winkeltje naar de veel grotere kruidenier met het ruimere assortiment.

Op eerste Paasdag, na de middagkerkdienst zaten we met zijn allen rond de tafel voor de broodmaaltijd. Het potje pindakaas stond pontificaal midden op de tafel en lachte mij toe.
Moeder pakte als eerste het potje, draaide het deksel eraf  rook aan de pindakaas
alsof het parfum was. Ze pakte een vork en roerde de olie die bovenop lag er eerst doorheen, haar vork raakte de bodem. Daarna zette ze het potje geopend op tafel, blij keek ze ons aan.
Was er groter feest denkbaar? We voelden ons nooit arm, maar vandaag met pindakaas op tafel hoorden we zeker bij de rijken.
Toen moeder dankte voor de maaltijd was het pindakaaspotje een heel eind leeg.  Iedereen was verzadigd en had ervan gesmuld!
Wanneer ben je arm?

woensdag 20 februari 2013

Niemand begrijpt mij


Nu ik dit boven mijn eerste blog zet, komen meteen mijn eigen vragen aangerend.
Want wat bedoel ik met begrijpen? Wat wil ik, een ander begrijpen of begrepen worden? En, begrijp ik mezelf wel?

Jaren geleden ging ik regelmatig een oude dame bezoeken in een zorgcentrum.
Ze had een schare kinderen, de meeste van hen kwamen regelmatig op bezoek.
Omwonenden keken soms met jaloerse blikken als één van die kinderen weer door de lange gang liep.
Op een middag toen ik haar bezocht kwam de jongste dochter even een kijkje bij haar moeder nemen.
Ze schoof een stoel bij en ging, gezellig pratend, naast haar moeder zitten.
Haar moeder viel een beetje stil tijdens het gepraat en keek van mij naar haar dochter, met een blik van: nou het zal allemaal wel.
Toen het gesprek even stokte ging ze verzitten en zei, zonder enige aanleiding: “niemand begrijpt mij”.
De dochter  keek verwonderd, slikte en zei even later: “ik begrijp u pas als ik zelf oud ben”.
Alsof er niets gezegd was kabbelde het gesprek verder over koetjes en kalfjes.
Toch was er iets veranderd. Ik voelde een oude eenzaamheid en machteloosheid, hetzelfde gevoel dat ik vaak had toen mijn eigen moeder oud was.
Ik keek naar de kleine vrouw in de grote stoel, naar haar vriendelijk gezichtje dat iedere keer smaller keek en naar haren die al maar grijzer werden.
En ik vroeg mezelf af: “begrijp ik haar?”
Ik wist hoe flink en hoe ondernemend zij in vroeger jaren was, hoe sterk zij was geweest toen zij er alleen voor stond omdat haar man op jonge leeftijd stierf.
Kon ik, kon haar dochter begrijpen wat haar  bezig hield?
Later, toen ik weer thuis was, bleef die ene opmerking van haar door mijn hoofd drenzen, met mijn eigen vraag: begrijp ik haar?
                                                                                                                                           

De tijd verstreek, die opmerking reisde met mij mee de jaren door.
De oude dame is sinds jaren overleden.
We zijn 25 jaar verder en ik hoor nu zelf bij de senioren, mijn grijze haren heb ik tot nu toe een kleurtje gegeven maar dat verhult niet dat de jaren gaan tellen.

Nog heel dikwijls denk ik terug aan die oude dame, zij was een vriendin van mijn moeder, zij  heeft een grote invloed op mijn leven gehad.
De laatste jaren van haar leven zakte zij steeds meer weg in een isolement van diepe eenzaamheid.
De pogingen, vooral van haar jongste dochter haar moeder bij het leven betrokken te houden, richtten niets uit, tenslotte verliet zij leven door niet meer te ontwaken uit haar slaap.

Ik bezocht haar tot aan het einde van haar leven.
Zij sprak heel weinig, soms even kwam er een lichte glimlach om haar mond bij mijn binnenkomst, daarna draaide zij haar hoofd naar het grote raam en tuurde naar buiten.
Ik ging naast haar zitten en keek met haar mee naar buiten.

Een maand geleden liep ik onverwacht haar jongste dochter in het stadscentrum tegen het lijf.
Ze verhuisde jaren geleden naar het noorden van het land.
Verheugd dat we elkaar zagen besloten wij samen wat te gaan drinken, “kunnen we even wat bijpraten” stelde ze voor.
Vanzelfsprekend kwam vroeger te sprake, onze jeugdjaren, onze ouders en de families.
Opeens vroeg zij: ”weet jij nog van die keer dat wij samen op bezoek waren bij mijn moeder, dat mama tegen mij zei dat niemand haar begreep?”
Ik knikte, dat wist ik zeker nog.
“Ik denk er nog best vaak aan terug” ging ze verder,  “en vraag mij dan af waarom ik  er  niet over heb doorgepraat, of  verder naar vroeg.
Achteraf denk ik, dat haar openheid en kwetsbaarheid mij onzeker maakten en overrompelde, het was heel ongewoon en nieuw  dat mijn moeder iets losliet over haar gevoel.
Het blijft voelen als een gemiste kans, alsof ik haar in de kou liet staan”.
Zij keek mij hulpeloos en verdrietig aan.
“Het blijft voelen als een gemiste kans”.
“Ik weet het ook nog, als de dag van gisteren” antwoordde ik. “ het overviel mij ook”.
Of je het anders had moeten doen en of dat beter zou zijn geweest weet ik niet.
Vaak hebben dingen hun eigen loop en gaan ze zoals ze gaan”.
Ik zag haar weer slikken zoals toen en zei: ”wat ik wel weet is dat je moeder je toewijding en zorg begrepen heeft,  dat heeft ze meer dan eens gezegd.”
Haar gezicht klaarde op. Zij keek mij blij aan en zei: “dit zijn precies de woorden die ik nodig heb”.

Veel later namen we afscheid: bijgepraat en blij omdat we elkaar zomaar weer tegenkwamen.
Ik loop nu rond met een onverwachte afspraak in mijn agenda. Volgende maand ga ik naar Groningen om haar te bezoeken. Leuk!
Real Time Web Analytics