dinsdag 10 september 2013

De verloren kip

Poezen, ik blijf het wonderlijke dieren vinden.
Hoe meer je naar ze kijkt hoe meer dat opvalt.
Vroeger, in mijn kinderjaren, hadden wij een poes die de supervisie had over het bewaken van de muizestand in en rond ons huis. Hij deed dat met verve, deed plichtsgetrouw zijn werk, dus mocht hij blijven.
Hij had geen andere naam dan poes. Poes was gewoon zijn roepnaam waar hij prima naar luisterde en dik tevreden mee was.
De poes zocht veel mijn gezelschap. Stiekem vond ik het “mijn poes”.

Eigenlijk kan ik mijn leven niet goed indenken zonder poes.
Later, toen wij kinderen kregen hoorde een poes er vanzelfsprekend bij.
De kinderen wisten niet anders of beter. Hebben nu zelf ook weer poezen.
Poes Mientje is heel oud geworden, bijna 20 jaar. De mooie verhalen over Mientje gonzen nog altijd door de familie.
Zij was bijzonder eigenzinnig en daarbij trouw aan haar poezennatuur.
Gelukkig woonde we in een  huis waar  zij ’s nacht naar buiten kon.
Van daaruit kon zij zich uitleven en op rooftocht gaan.
Het is ongelofelijk hoe hoog zij sprong naar vogels in de lucht, alsof zij kon vliegen.
Buiten stond een overdekte kattenbak, geheel ingericht als mandje voor haar klaar als zij van haar nachtelijke escapades thuis kwam.
Zo kon zij uitrusten van alle vermoeienissen!
Eén keer keek zij op haar neus. Een egel had haar plaats ingenomen en zij kon fluiten naar haar plekje.
Vaak bracht zij een jachttrofee mee naar huis en wachtte naast de buit, geduldig tot wij uit bed waren.
Tenslotte had zij niet voor niets zo haar best gedaan!
Het gebeurde nogal eens dat zij naar binnen stoof met een muis als wij de deur openden.
Zij toonde ons dan graag haar kat -en muisspel Onze reacties daarop waren niet bijster enthousiast.

Maar één keer maakte zich zij zich er echt maar met een jantje-van-leiden van af.
‘s Morgens deed ik de deur, waarvoor zij altijd stond, open.
Voorzichtig, niet helemaal, want je wist nooit wat achter de deur wachtte.
Ik keek naar de grond, zoals ik gewend was. Wat ik zag tartte iedere vorige keer:
voor mijn voeten lag een halve diepvrieskip. Ik boog mij voorover om beter te kijken, niet gelovend wat mijn ogen zagen.
Mijn hersens draaide op volle toeren.
Waar kwam die kip vandaan? Hoe kreeg zij die naar huis gesjouwd?
Of had zij hem meegesleept?
Waarom kunnen poezen niet praten?
Zij moest die kip ergens geroofd hebben, bij iemand binnen zijn geweest.
Maar waar dan en zo vroeg in de ochtend? Ineens ging er een lampje bij mij branden.
Aan onze achtertuin, grensde de achtertuin van een nicht. Daar liep ik wel eens even heen.
Mientje volgde mij vaak en wachtte dan buiten in de tuin tot ik weer naar huis ging. Mijn nicht kokkerelde veel en graag met een open keukendeur. Vaak in aller vroeg walmde de kookgeuren al onze tuin in.
Waarschijnlijk lag de kip daar ’s morgens vroeg op het aanrecht om soep van te koken.
In een onbewaakt ogenblik is Mientje op het aanrecht gesprongen en heeft zij  de kip buit gemaakt.
Dit is de enige zinnige verklaring die ik ervoor kan bedenken en deze zou best kunnen kloppen

Ik heb vaak gedacht hoe verbaasd mijn nicht moet zijn geweest.
Mij afgevraagd hoe  haar gezicht stond toen zij naar de kip zocht die net toch echt op het aanrecht lag. Waar was die kip ineens? 
Zomaar ineens spoorloos verdwenen in het niets.
Zij heeft het er nooit met mij over gehad en ik heb het maar in het midden
gelaten 
Wellicht liepen wij beiden met stilzwijgend raadsel rond.
Jammer, dat ik haar verhaal nog mis op internet!

Voor wie Mientje de kip meebracht is altijd een raadsel gebleven.
Voor ons in ieder geval niet want wij waren toen al vegetariërs.
En wat ze zelf met een diepvries kip moest werd haar uiteindelijk ook niet duidelijk.
Tenslotte liet ze kip voor wat het was. Liep naar haar voerbakje en peuzelde,  broederlijk naast de hond, vol overgave haar eigen brokjes. 
En zo liep die hele steelpartij van haar op een flop uit.

                                                                                                                                                         
                                                                                           Wordt vervolgd

dinsdag 3 september 2013

De muggendans

Waren  die  zomers  vroeger, toen  ik  kind  was, nu  echt  zo  warm?
Of  herinner  ik  mij  vooral  die  snikhete  dagen?
Het  land  achter  ons  huis  vertoonde,  als  de  hitte  lang  duurde, dan  diepe scheuren.
Sproei-installaties  kwamen  pas  later, het  land  snakte  naar  water.
Soms werd met een tuinslang lokaal wat water toegevoerd.

Vandaag  is  het  ook  weer  zo’n  warme  dag  geweest.
s' Avonds  als  ik  naar  bed  moet  is  het  broeierig  warm  op  de  grote  zolder.
Vooral  nu  de  zon  al  enkele  dagen  ongenadig  het  pannendak  heeft beschenen.
Het  ene  schuifraam  dat  de  zolder  telt  is  hermetisch  dicht.
Gisteren  stond  er  nog  een  hor  in  maar  de  muggen  kropen  door  de gaatjes.
Zij  hielden  ons  wakker  met  hun  irriterend  gezoem. Daar  bleef  het niet bij.
Bloeddorstig  landden  zij  op  onze  armen  om  hun  honger  te  stillen.
Daarom  blijft, op  bevel  van  moeder, deze  avond  het  raam  naar  beneden.
Al  is  het  ook  om  te  stikken  want  aan  een  bevel  van  haar  valt  nu eenmaal niet  te  tornen.

Het  is  tien  uur  en  ik  ben  nog  wakker. De  anderen  lijken  te  slapen.
Ik  luister  naar  de  geluiden  om  mij  heen.  Wat  een  gepuf!
Nog  even  wacht  ik  en  luister  goed. Ja,  ze  slapen  nu  echt  allemaal.
Ik  stap  voorzichtig  uit  bed. Onhoorbaar  sluip  ik  naar  het  raam.
Gelukkig  is  het  nog  licht  genoeg  en  bots  ik  nergens  tegenaan.
Ook  al  weet  ik  inmiddels  iedere  stoel  en  alle  andere  barrières  te  staan, het  blijft  een  hachelijke  onderneming.
Onder  de  houten  zoldervloer  is  de  huiskamer.  Ieder  geluid  van  boven  is daar  hoorbaar  en  klinkt  door.
Ik nestel  mij  op  een  stoel  voor  het  raam. Dit  is  mijn  plekje  als  iedereen slaapt.
Vanuit  het  raam  kan  ik  de  landerijen  zien. De  nachtvogels  die  nu tevoorschijn  komen, vliegen  en  fladderen  rond.
Kijk, er  zit  een  mug  op  het  raam. Nu  kan  ik hem  eens  goed  van  heel dichtbij  bekijken. Het  fragiel  dunne  lijfje,  de  hoge  pootjes.
De  ragfijne  vleugeltjes  die  een  beetje  trillen. Maar  waar  zijn  de  oogjes?
Ze  zijn  klein  en  heel   moeilijk  te  vinden.  Ik  wil  zo  graag  zijn  oogjes  zien  en  dat  hij  mij  aankijkt.

Buiten  wordt  het  nu  donkerder  en  ook  op  zolder. Er  komen  steeds  meer muggen. Ze  zoeken  elkaar  op,  blijven  dicht  bij  elkaar.
Gaandeweg  worden  het  er  meer  en  meer. Het  groeit  uit  tot  een  zwerm.
Ze  komen  naar  het  raam  en  alsof  zij  voor  mij  komen,  tonen zij  mij  in het  schemerlicht  hun  dans. 
Ik  zie  hoe  zij  als  zwerm  één  beweging maken. Soms  ineens,  als  op afspraak,  zwenkt  de  hele  zwerm  naar  links. En  hoep  weer  naar  rechts.
Hoe  kan  het? Hoe  weten  zij  dat? Wie  geeft  hen  een  bevel  daarvoor?
Mijn  oog  probeert  een  mug  vast  te  houden  en  te  volgen. Maar  ik  verlies al  snel  de  controle  en  ook  deze  verdwijnt  in  de  dans.

Het  is  donker  geworden. Ik  zie  de  sterren  en  daar  is ook  de  maan.
Ik wil  wachten  tot  “De grote beer” er is.
Een oom  heeft  mij  die  vorige  week  aangewezen. Hij  gaat  mij  nog  veel meer  vertellen  over  de  sterren  heeft  hij  beloofd.
De grote  beer  heeft  zeven  sterren  in  de  vorm  van  een  steelpannetje, weet  ik  nu.
Ik  luister  en   hoor  beneden  stemmen. Ik  zit  hier  heerlijk. Niemand  die  mij  ziet  of  hoort.
Er  komt  toch  niet  iemand  naar  boven? Dan  moet  ik  wegwezen.
Ik  kruip  in  mijn  nachtpon  en trek  hem  over  mijn  knieën.
Met  mijn  handen  tegen  de  ruit  aan  kijk  ik  door  een  tunneltje  naar buiten.
O, daar  is  hij “De grote beer”. Nu  heb  ik  hem  zelf  ontdekt!
Zouden  sterren  echt  stippen  zijn  van  engelenvoeten  zoals  een vriendinnetje  vertelde?
Waar  komen  ze  ineens  vandaan? Er  verschijnen  er  steeds  meer. De  lucht raakt  er  helemaal  vol van.
Het  wordt  ineens  weer  lichter  op  de  zolder. Er  valt  een  lichtstreep  van  de  maan  op  de  vloer.

Opeens  hoor  ik  het  kreunen  van  de  trapdeur  die  open  gaat.
Als  een  haas  vlieg  ik  naar  bed. Keurig  op  tijd  lig  ik  erin.
Moeder  komt  langs  om  te  kijken  of  we  slapen.
Mijn  hand  ligt  onder  mijn  gezicht. Mijn  ogen  zijn  dicht. Ik  adem  rustig  in en uit.
Niet  moeilijk  na  zoveel  oefening.
En  terwijl  moeder  mij  instopt  danst  de  muggenzwerm  vrolijk  op  mijn netvlies rond.

dinsdag 27 augustus 2013

Mijn poedel

De opdracht van de schrijfcursus luidt: schrijf een smartlap op een bestaande wijs.
Dit komt daarop uit mijn pen rollen.
smartlap op de wijs  van: De uil zat in de olmen.

Mijn poedel

Mijn trouwe kleine poedel
was altijd om mij heen
een schaduw die mij volgde
dus was ik nooit alleen.

refrein: Hij was een vrind
              zoals je zelden vindt!    Bis

Ik zag hem ouder worden
zijn krulvacht eens diep bruin
werd langzaamaan steeds grijzer
van staart tot aan zijn kruin.

refrein

Het lopen ging steeds slechter
zijn poten werden stram
zodat ik steeds maar vaker
de kortste route nam.

refrein

Zijn mooie hondenogen
verloren het gezicht
voorzichtig aarz’lend  zocht hij
naar ‘t laatste beetje licht.

refrein

Ik zag hem minder worden
zijn scherp gehoor viel uit
zodat hij niet meer blafte
bij ieder vreemd geluid.

Refrein

Zijn trouwe hondenogen
keken mij vragend aan
alsof zij wilden zeggen
’t is tijd om heen te gaan.

Refrein

Ik was van hem afhank’lijk
hoe moest ik verder gaan
zonder zijn trouw en liefde
de leegte keek mij aan.

refrein

Totdat ik het besefte
dit inzicht deed mij pijn
dat liefde’n egoïsme
elkaars verwanten zijn.

refrein

Mijn trouwe kleine poedel
die mij zo heel veel gaf
ligt in de tuin begraven
een treurberk siert zijn graf.

Refrein: Hij was een vrind
              zoals je zelden vindt!  bis

Mijn poedel heeft echt bestaan!
Hij is 14 jaar oud geworden.                                       

dinsdag 30 juli 2013

Van protocollen en een rode kaart

De jaarwisseling van 2007 komt steeds dichterbij.
We zijn door een bestaande vriendengroep, die wij zijdelings kennen,  voor het eerst uitgenodigd dit jaar samen met hen de jaarwisseling te vieren.
Ik vooral heb er veel zin in. Leuk om eens op een andere manier de jaarwisseling mee te maken.
We moeten er wel voor naar Drente maar dat doen we wel even.

Het is de avond van 27 december.
Gijs en ik spelen aan tafel een spelletje rummicub.
De winteravonden zijn lang en echt fervente televisiekijkers zijn we niet.
De gordijnen zijn dicht getrokken. De kamertemperatuur is behaaglijk warm.
Kortom een ouderwetse winteravond!
Ik heb last van mijn rug de laatste tijd. Ook nu. Geen aandacht aan besteden zeg ik in mijzelf.
Gewoon wachten tot het weer overgaat.
Maar het gaat niet over. Het blijft maar duren. Het wordt alleen maar erger.
Toch maar even zeggen tegen Gijs?.
 “Ik heb pijn in mijn rug, die steeds erger wordt” zeg ik.
Het zou toch geen hartinfarct zijn, flitst het door mij heen.
Hij kijkt mij vragend aan: ”Is het erg”. 
Ik knik: “best wel”.
We dubben. Want wat gaan we doen?
“Nog maar even aanzien. Het zal toch wel gaan afzakken?” zeg ik.
 Helaas, is dat niet het geval. Integendeel!  Het wordt steeds duidelijker dat we iets moeten doen.
De ambulance bellen?
Gijs waagt een poging, maar de stem aan de lijn heeft allerlei adviezen die geen hout snijden.
Inmiddels lijkt het best urgent te worden. De pijn wordt nu heel heftig.
We worden onrustig en zenuwachtig.
Uiteindelijk besluiten we dan maar zelf naar de dokterspost te rijden.
Daar zullen ze wel klaar staan en mij opvangen!
We moeten aanbellen want de deur is gesloten. Een medewerker komt aanlopen en opent de deur.
“Heeft u gebeld?”: Nee, dat hebben wij niet.
“Waar komt u voor?”
“Ik heb erge pijn in mijn rug”.
“Maar u heeft niet eerst gebeld en dat moet. U kunt hier niet zomaar, zonder vooraf te bellen, binnenlopen”.
“O, dat wisten we niet” zeg ik.
“Het protocol is dat u eerst belt. Gaat u daar maar zitten tot u aan de beurt bent. Mensen die gebeld hebben gaan wel voor”.
Als makke schaapjes gaan wij zitten en kunnen zien hoe het wel hoort.
Die mensen gedragen zich volgens de regels van het protocol en hebben dus vooraf gebeld. We kijken onze ogen uit!

Inmiddels  komt de desbetreffende man uit een kamertje.
Hij loopt naar ons toe. In zijn hand heeft hij twee rode kaarten, waarmee hij zwaaiend naar ons toe komt lopen.
Twee rode kaarten, voor ieder van ons één.
Hierop staan de regels van het protocol, zodat wij het nooit meer vergeten of verkeerd zullen doen. Alsof ik hier morgen weer wil zitten!
Wat er op die rode kaart staat hebben wij nooit gelezen. Die is bij het vuil terechtgekomen.
Ik heb nog altijd spijt dat ik hem voor zijn ogen niet heb verscheurd!
We zitten inmiddels al een uur te wachten!
De pijn golft nu door mij heen en is ondragelijk.
Vanuit mijn rug trekt het nu ook door mijn linkerarm naar mijn hand.
Ik kan niet meer zitten. De pijn probeer ik op te vangen door heen en weer te lopen.
Als ik de man weer zie, loop ik zo goed en kwaad als het gaat naar hem toe en zeg: “ik heb echt heel erge pijn hoor”.
“U heeft een wandelende nier “ zegt hij terloops en weg is hij. Ik heb het nakijken.
Ik weet niet waar ik het zoeken moet! Verbijsterd ben ik. Ten einde raad.
Is die man gek? Waar ziet hij mij voor aan?
Wanhopig blijf ik, krom van de pijn, heen en weer lopen.

Eindelijk, na nog een kwartier wachten wordt het ons vergund dat wij naar de dokter mogen.
De man loopt, met statige passen, voor ons uit naar de artsenkamer.
Hij levert ons voldaan af bij de spreekkamer.
Zijn “werk” zit erop!
De arts neemt de bloeddruk op. Luistert naar mijn hartslag.
Hij hoeft hij niet na lang na te denken. “U heeft een hartinfarct”, zegt hij.
Ik hoor het wel, maar de woorden komen van heel ver.
Hij geeft een tabletje voor onder mijn tong. Hij spuit wat vloeistof in mijn mond
Misschien bracht dat wat verlichting. 
Wat verder volgt gaat allemaal razendsnel.
Er wordt een brancard binnen gereden waar ik word opgelegd.
Ik ben nu ook gaan overgeven.
Als ik klaar lig voor vervoer met de ambulance komt de man nog even binnenlopen. “Het klopt niet” zegt hij aan mijn bed.
Een briljante opmerking!
Ik doe er het zwijgen toe. Te moe, te ziek en te verward om te kunnen zeggen dat ik daar zelf al veel eerder achter was.
Het tabletje werkt: ik lig voor pampus. Kan niets meer zeggen.

In de ambulance, op weg naar het ziekenhuis, voel ik mij wegglijden.
En het voelt goed: zo onuitsprekelijk goed, en vredig.
Ik wil meegaan. Erin wegzinken. Die volkomen goedheid en vredige stilte nooit meer loslaten.
Helaas, de ambulancebroeder denkt er anders over.
De hele rit blijft hij mij bestoken met vragen, waarop hij antwoord verwacht.
Het irriteert mij mateloos, terwijl ik wil roepen: laat mij toch gaan!
Laat mij met rust.
Maar ieder woord kost mij enorm veel inspanning en moet ik bevechten.
Tenslotte zijn wij bij het ziekenhuis aangekomen.
Gijs komt met de auto er achteraan wordt mij verteld. Hij kan er zo zijn.
Een team van artsen en verplegers staat klaar om mij te gaan dotteren.
Het lijkt alsof het allemaal in de verte gebeurd. Alsof mijn bril beslagen is.

Gijs is nu gelukkig ook binnen gekomen. Het dotteren kan beginnen.
Wat en hoe dit gebeurde? Alles wat ik er mij nog van herinner, zijn flarden.
Na het dotteren hoor ik dat er eerder al wat kleinere infarcten waren.
En dit klopt weet ik.

Nog steeds ben ik dankbaar hoe ik werd opgevangen. Verbaasd, dat een heel ziekenhuisteam mij opwachtte. Klaar voor mij stond.
En, hoe zorgzaam en attent zij hun werk deden.
Zo kan het dus ook!

donderdag 14 maart 2013

Zing nog een lied


Ik ben nu bijna driekwart eeuw min of meer hier aanwezig. Met stijgende verbazing zie ik dat de wereld om mij heen steeds sneller verandert.
Alleen al in het onderwijs zijn de veranderingen niet van de lucht.
Of je er blij mee moet zijn is een vraag want waar blijft de echte oplossing?

Als ik denk aan mijn lagere schooltijd, dat is nu ruim 65 jaar geleden, ga ik langzamerhand die jaren toch in een ander perspectief plaatsen.
Ons gezin ging naar “De School met den Bijbel". Het was geen grote school. Er zaten ongeveer 130 tot 150 leerlingen op.
Soms werden er twee leerjaren bij elkaar gevoegd in één lokaal omdat er te weinig kinderen waren voor dat jaar.
Voor sommige kinderen was het spannend want zo kon je ook al iets opvangen van het volgende jaar.
Voor mij was dat een brug te ver. Ik had genoeg aan het gegeven van nu.  Ik heb de hele schooltijd slecht opgelet. Verveelde mij mateloos.
Die eindeloze leeslessen waarin je om de beurt hardop moest voorlezen. Het boekje had je van verveling al een paar keer stiekem uitgelezen. 
Eén wand van het lokaal had hoge ramen. Als ik mijn hoofd iets naar  achteren deed en naar links keek kon ik de wolkenlucht zien.
Ik zag dat de lucht er iedere dag anders uitzag. Als de wolken snel voortbewogen keek ik ze verlangend na zover ik kon. 
Het zal niet de bedoeling zijn geweest maar die ramen hadden voor mij  een nuttige, prettige functie.  Gelukkig zat ik op de achterste bank, dat voelde heel vrij.
Ook de platen met bijbelse taferelen hadden mijn volle aandacht. En niet te vergeten de taferelen uit de Vaderlandse Geschiedenis.

Op vrijdagmiddag was ik meestal helemaal aanwezig
Dat waren mijn feestmiddagen. Ook al duurde het feest helemaal één uur.
Als je dan door de lange gang liep hoorde je canons zingen. Gedichten voordragen. Of er werd een boek voorgelezen.  In alle lokalen was het laatste uur van de vrijdag een feestuur. En dat was te horen! Het leek een andere school.
Tekenen stond helaas ook op het program. Minder leuk voor mij. Beter gezegd, een regelrechte ramp.
Ik kreeg geen lijn op papier, alsof mijn handen werden vastgehouden.
Zo werd het mij toen al duidelijk dat ieder voordeel een nadeel heeft.
En ook dat jaloezie bestaat.

De meeste herinneringen heb ik aan de  vijfde en zesde klas.
In klas vijf stond een meester voor de klas die bezeten was van muziek.
Hij leerde ons de toonladder zingen. Met zijn rechterhand gaf hij met handgebaren de noten van de toonladder aan. Iedere noot had een eigen gebaar.
Wij zongen die toonladder op allerlei manieren. Van beneden naar boven en terug. Of met grote verspringingen. 
Het werd ons met heel veel enthousiasme aangeboden. Ik vraag mij wel eens af of de andere kinderen er ook zo van genoten. Of zij er ook nooit genoeg van konden krijgen!
En dan het zingen van de canons: Vader Jacob. Brand in Mokum. De uil zat in de olmen. Hoe geweldig klonk dat!

Het was echt een begenadigd onderwijzer, die meester uit de vijfde klas.
Hij kon ook nog prachtig vertellen. De overbekende bijbelverhalen gingen leven.
Maar ook de mannen uit de Vaderlandse Geschiedenis stonden op. 
De dood van Willem de Zwijger hing met een grote plaat op de muur. Daar lag hij, halverwege de trap. Dood!
Hij vertelde over mannen die belangrijke, grootse dingen deden voor ons land.
Daardoor werden ze heel belangrijk voor ons.
Na een paar weken had je al die platen in dit lokaal ook wel weer gezien en lag er nog een heel jaar voor je.

Het zesde leerjaar is mij het meest bijgebleven.
De hoofdonderwijzer was zijn roeping misgelopen.
Als hij gedichten declameerde werd het een ander mens!
Met de vereiste intonatie in zijn stem, en zo nodig breed gebarend, ijsbeerde hij door het lokaal.
Nog altijd klinken die gedichten van toen in mijn oren. Verrijzen de beelden die werden opgeroepen.
Als hij vol overgave voordroeg: “Zij kwamen na jaren uit Brabant weerom, met vliegend vaandel en slaande trom”, zag ik het leger over de dijk marcheren.
De oorlogsbeelden zaten tenslotte nog vers in mijn herinnering. Evenwel, het was nu wel ons leger dat oprukte.
Ik zag het duin voor mij, waar het leger stopte bij de grafheuvel van de gesneuvelde kameraden. Hoe zij het saluut maakten en als laatste eerbetoon het Wilhelmus zongen.
Ik zag “Boerke Naas” met stapkens licht en met de beurze zwaar, naar huis snellen.

En dan als klapper nog het zanguurtje.
De meester was klein van stuk, maar hoe dapper hanteerde hij zijn viool.
Daar stond hij en bespeelde, alsof zijn leven ervan afhing, het instrument waarop zijn kin rustte.
En wij zongen uit volle borst alle liedjes die wij bij hem en vorige leerkrachten hadden geleerd. 
Die oude liedjes die je nu in zorgcentra nog kunt horen zingen.
Wij zongen ons dan los. Nu mochten wij er zijn en ons laten horen!

Hoe belangrijk die jaren voor mijn leven waren dringt steeds meer tot mij door.
Natuurlijk, er valt van alles aan af te dingen zoals het vroeger was.
Onze ouders moesten ploeteren om rond te komen. Hadden meestal veel minder kennis om door te geven. Daardoor had de school ook zo'n  grote taak.
Die eenvoudige onderwijzers van toen hebben waarschijnlijk nooit bevroed hoeveel zij hebben doorgegeven aan vorming. En daarmede aan levensgeluk.
Zij maakten tijd vrij voor andere dingen dan alleen kennisoverdracht.

Het onderwijs is al vele keren vernieuwd.  Het ei van Columbus is al vele malen gevonden. 
En het eind van al die vernieuwingen en aanpassingen is waarschijnlijk nog niet in zicht.
In deze tijd draait het op scholen vooral om hoe men scoort met de Cito-toetsen.
Naar mijn gevoel gaat  het over de hoofden van de kinderen heen, vooral ook over dat van de school.
Het is toch te gek voor woorden dat kinderen van 10 jaar onder druk staan? 
Alsof die toetsen het geluk van hun leven gaat bepalen? En nog gekker: er wordt nu zelfs al op de kleuterschool begonnen.
De laatste tijd lijken er wat barsten te ontstaan in de zekerheid of al die toetsen  wel nuttig zijn. 
Hopelijk komen er andere tijden! Wie weet komt toch nog het ei van Columbus tevoorschijn.

vrijdag 1 maart 2013

Vindt ze dit misschien leuk?

Het is een uitgelezen zomerdag. Het zonnetje schijnt en de temperatuur is precies zoals je het wenst.
Is er een mooier moment om met dochterlief Judith, en kleindochter laura naar het stadshart te lopen. Ik heb echt iets nieuws nodig!
De afstand naar de winkels  is net een mooie wandeling is.
Als we gezellig keuvelend door de winkelstraat lopen stop ik en stel voor: “Zullen we hier even binnen kijken?
Als we binnenstappen komt er meteen een mevrouw naar ons toe lopen.
Ze vraagt aan Judith: “kan ik u soms ergens mee helpen”?
Een beetje overrompeld kijken we elkaar aan, zoveel haast is er nu ook weer niet bij.
We kunnen best zelf eerst even rondkijken, maar dat is niet de bedoeling en staat blijkbaar niet in het protocol van deze winkel.
Judith kijkt mij afwachtend aan. 
“Misschien kunt u mij helpen” zeg ik en loop iets naar voren.
“Ik zoek iets voor een feestelijke gelegenheid”.
“Ja hoor. Ik denk wel dat wij wel iets voor haar hebben” zegt de verkoopster, glimlachend naar Judith.
“Loopt u maar even met mij mee! Welke maat heeft zij?”
Judith kijkt mij wanhopig vragend aan. Ik zie haar denken, tot ze zegt: “vraag het haar zelf!
Opgelucht haal ik adem. Gelukkig, nu zal ze wel begrijpen dat ik aanwezig ben.
Als illustratie ben ik vooruit naar het rek gelopen waar mijn maat hangt.
Ik ben niet helemaal van lotje getikt, mokt het in mij.
“O u heeft het al gevonden? Haar stem schalt verwonderd door de winkel, terwijl ze mij bemoedigend aankijkt!
Wat gebeurt hier vraag ik verwonderd af. Zie ik er werkelijk zo uit dat ik niet voor mezelf kan zorgen? Mijn woordje niet meer kan doen?
Ik voel vertwijfeling en onmacht, maar ook heel veel boosheid
Ik kijk naar de verkoopster, terwijl ik mij afvraag hoe het komt dat zij zich zo opstelt.
Benaderd zij alle oudere mensen zo, of alleen mij?  Hoe kijkt zij tegen het ouder worden aan?
Bij het kledingrek staat een spiegel. Bevreemd kijk ik naar mijn spiegelbeeld.
Wat is er met mij aan de hand dat ik ineens niet meer volwaardig blijk te zijn? Waardoor komt het dat over mijn hoofd heen alles geregeld moet worden?
De verkoopster praat ongedwongen, alsof ik niet besta, met Judith verder.
Ze heeft het over de crisis, over de service die ze zelfs nu gewoon blijven leveren.
Ik zie dat Judith zich inmiddels vertwijfeld afvraagt of er nog iets te redden valt aan de situatie?
Kleindochter Laura staat geduldig te wachten. Ze kijkt vragend en verwonderd van de één naar de ander.
Het liefst zou ik de verkoopster tot de orde roepen. Hoe doe je zoiets?
Ik ben totaal verbijsterd door de vanzelfsprekendheid waarmee zij te werk gaat, en zo geheel ter goeder trouw is, lijkt het.
Bovendien ben ik keurig en beleefd opgevoed!


Zij komt naar het kledingrek lopen. “U heeft maat 38?”
De verkoopster wendt zich, vol ongeloof, naar mij toe.
Ik trek een pakje, dat mij leuk lijkt, uit het rek. Waar is de paskamer?
O daar, ik zie het al. Dit alles in volkomen stilzwijgen.
Dochter en kleindochter lopen meelevend met mij mee.
Het leek ons zo gezellig om met zijn drieën te winkelen! Ik was zo blij dat ze meegingen om iets uit te zoeken.
De verkoopster loopt ook mee naar de paskamer.
Even later kom ik tevoorschijn in mijn nieuwe outfit. “Hoe staat dit?” Ik kijk naar Judith en Laura.
“Het staat je leuk, en je bent er heel slank in!” Ze zijn het helemaal eens met elkaar.
Zo, hier kan ik het even mee doen. Dit opkikkertje is meer dan welkom!
Wat voor bloesje staat er bij? 
Nog voor ik mijn vraag kan stellen komt de verkoopster al met een bloesje aanlopen.
“Zou ze dit misschien leuk vinden”? Ze kijkt vragend naar de anderen.
Ik hef mijn handen hulpeloos ten hemel, en doe er tenslotte, onwillig berustend, het zwijgen maar toe.
Het bloesje dat ze heeft gehaald vind ik helemaal niet mooi.
Het past van geen kant, en staat ook niet. En, al zou ik het mooi vinden dan zou ik het nog niet nemen!

“Willen jullie even iets uitzoeken?” Mijn vraag is gericht aan Judith en Laura. Zij kennen mijn smaak, weten feilloos wat ik mooi vind.
Ik wacht in de paskamer. Dom om niet gelijk een bloesje uit te zoeken! 
Zou er toch iets met mij loos zijn? Ik kan toch ook, evenals ieder ander, dement worden?
Als ze met twee bloesje aan komen lopen, ben ik blij verrast, helemaal in de roos!
De verkoopster valt stil bij zoveel eigen inbreng. Tot grote opluchting van ons drieën.
As ik de bloesjes heb gepast, maak ik mijn keuze.
Ondanks de perikelen erom heen ben ik heel goed geslaagd. Op naar het feest!
Even later pin ik de betaling. Judith en Laura wachten al bij de uitgang.
De verkoopster loopt mee.
Bij de deur zegt ze tegen Judith en Laura:“fijn hé, dat ze is geslaagd!”

Buiten gekomen ontplof ik bijna!
Ik ben mij aan het beraden hoe ik dit een volgende keer kan oplossen.
Zo wil ik niet meer benaderd worden. Zo kun je niemand benaderen!

Haal maar even een potje pindakaas

Het kan niemand ontgaan: er is crisis in dit land.
Soms lijkt het alsof er niets anders meer is dan dit. Overal is het hoorbaar, op de markt roepen de marktkooplui luid: “mensen het is crisis” om daarna hun aanbiedingen rond te bazuinen.
Vooral de ouderen vinden dat zij het zwaar te verduren hebben nu er aan hun inkomen wordt geknabbeld.
De levensstandaard van nu is even hoog als in 2007 en toen voelden we ons over het algemeen toch niet arm. Nu we echter een stapje terug moeten doen, is het een heel ander verhaal en worden we arm gepraat.
Opvallend is dat mensen die echt moeten ploeteren om rond te komen omdat er maar heel weinig binnenkomt, bijna niet worden gehoord.
Ik vraag mij af hoe zij het ervaren als mensen met hoge lonen klagen dat zij iets moeten inleveren.  Durven zij nog geloven dat er solidariteit is?

Ik was in 1949 een kind van tien jaar.
Ons gezin woonde buiten het dorp aan een dijk. Vanuit de woonkamer keken we uit over het uitgestrekte polderlandschap. Naast ons huis was een wei waarin ’s zomers de koeien vredig graasden, en ik van de madeliefjes en boterbloemen kransjes vlocht.
De andere huizen die aan de dijk stonden, waren evenals ons huis, vrijstaand.
Iets verderop was een winkeltje, het kleinste kruidenierswinkeltje dat ik ooit zag.
Met drie mensen was de winkel meer dan vol. Langs de muren waren wat planken aangebracht waar de te verkopen artikelen stonden. De meest voorkomende artikelen waren koffie, suiker, rijst, bloem en tarwe.
De stroop stond in een grote pot. Met een lepel werd de stroop in een glas geschept dat je zelf had meegebracht.
Ons gezin telde veel kinderen en we kwamen allemaal wel eens aan de beurt om naar het winkeltje te rennen voor een boodschap.
Soms stond ik weifelend voor het winkeltje omdat ik al voor de derde maal kwam die dag, maar de oudere vrouw achter de toonbank werd nooit boos. Misschien, denk ik nu, was zij wel blij met de klandizie van ons grote gezin!
Mijn moeder moest het grote gezin zonder mijn vader grootbrengen, er kwam weinig geld binnen, boodschappen werden maar mondjesmaat gekocht.
Op het platteland is er gauw genoeg te eten, er werden dieren gehouden voor de slacht, op het land werden gewassen verbouwd voor eigen gebruik.
Wat verder nog gekocht moest worden aan levensmiddelen was eigenlijk min of meer verspilling.

De Christelijke feestdagen waren de hoogtepunten van het jaar!
Naast het veelvuldige kerkbezoek was er veel gezelligheid, vrienden en vriendinnen uit de kerk mochten meekomen.
Soms, met de feestdagen, zei moeder tegen één van ons: “weet je wat, haal maar een potje pindakaas bij Vredeveld, het is morgen Paasfeest”. Dat gebeurde ook vandaag.
Pindakaas, was er iets lekkerder dan pindakaas? Het water liep al uit mijn mond!
Even later scheurde mijn oudere zus op de fiets over de dijk, op naar kruidenier Vredeveld voor de pindakaas. Zij sjeesde voorbij het kleine winkeltje naar de veel grotere kruidenier met het ruimere assortiment.

Op eerste Paasdag, na de middagkerkdienst zaten we met zijn allen rond de tafel voor de broodmaaltijd. Het potje pindakaas stond pontificaal midden op de tafel en lachte mij toe.
Moeder pakte als eerste het potje, draaide het deksel eraf  rook aan de pindakaas
alsof het parfum was. Ze pakte een vork en roerde de olie die bovenop lag er eerst doorheen, haar vork raakte de bodem. Daarna zette ze het potje geopend op tafel, blij keek ze ons aan.
Was er groter feest denkbaar? We voelden ons nooit arm, maar vandaag met pindakaas op tafel hoorden we zeker bij de rijken.
Toen moeder dankte voor de maaltijd was het pindakaaspotje een heel eind leeg.  Iedereen was verzadigd en had ervan gesmuld!
Wanneer ben je arm?
Real Time Web Analytics